Belastingplan 2026

Zoals elk jaar verandert ook per 1 januari 2026 weer een groot aantal belastingregels. Hoewel de Eerste Kamer nog met het belastingplan 2026 moet instemmen zetten wij hieronder alvast een aantal van deze veranderingen die voor de notariële praktijk van belang zijn, op een rijtje.

Wijzigingen in de Overdrachtsbelasting

Waar de overdrachtsbelasting vroeger slechts één tarief kende (6%) zullen er vanaf 1 januari 2026 maar liefst vier verschillende tarieven voor de overdrachtsbelasting bestaan:

  1. een tarief van 0% voor “starters”;
  2. een tarief van 2% voor “doorstromers”;
  3. een tarief van 8% voor woningen die niet voor eigen bewoning gebruikt zullen worden;
  4. een tarief van 10,4% voor overige onroerende zaken.

De tarieven van 0%, 2% en 10,4% bestonden al. Nieuw is hierbij het tarief van 8% voor woningen die door de koper niet als woning voor eigen bewoning gebruikt zullen gaan worden.

Voor starters, dat wil zeggen kopers met een leeftijd tussen de 18 en 35 jaar, geldt dat zij eenmalig een beroep kunnen doen op de zogenaamde “startersvrijstelling”: mits zij de woning (anders dan tijdelijk) gaan gebruiken voor eigen bewoning en mits de waarde van de betreffende woning een bepaald bedrag niet te boven gaat is de overdracht onbelast.

Wanneer de woning wel (anders dan tijdelijk) voor eigen bewoning gebruikt gaat worden, maar de koper ouder is dan 35 jaar of de waarde van de woning hoger is dan het maximumbedrag, geldt een verlaagd tarief van 2%.

In alle andere gevallen geldt tot 1 januari 2026 het “normale” tarief van 10,4%. Dit gaat dus om alle onroerende zaken die niet door de koper zelf (anders dan tijdelijk) als woning gebruikt gaan worden. Na 1 januari 2026 wordt naast het gebruik door de koper ook onderscheid gemaakt tussen “woningen” en “andere onroerende zaken”.

Bij het nieuwe tarief van 8% voor woningen kan bijvoorbeeld gedacht worden aan een vakantiewoning, maar ook aan een woning die gebruikt gaat worden door de eigen kinderen of een woning die bestemd is voor de verhuur aan derden.

Omdat er straks ook in het geval van niet-zelfgebruik van verkregen de onroerende zaak door de koper verschil wordt gemaakt tussen woningen en andere onroerende zaken zal de discussie of een gekochte onroerende zaak een woning betreft (of niet) in de toekomst alleen maar toenemen. Voorheen was dit onderscheid immers alleen van belang wanneer de koper de onroerende zaak zelf als woning zou gaan gebruiken. In die gevallen bedroeg het tarief 0% of 2%; in alle andere gevallen was er slechts één tarief: 10,4%.

De maximumwaarde voor een woning waarvoor de startersvrijstelling geldt gaat overigens per 1 januari 2026 omhoog van € 525.000,00 naar € 555.000,00. Bij aankoop van een woning met een hogere waarde is de startersvrijstelling dus niet van toepassing en geldt het verlaagde tarief van 2%. Belangrijk bij dit maximum is dat het gaat op de waarde van de woning als geheel en niet om de waarde van het verkregen aandeel.

Wijzigingen in de schenk- en erfbelasting

De termijn waarbinnen aangifte voor de erfbelasting moet worden gedaan, wordt verlengd van de huidige termijn van acht maanden na het overlijden (behoudens uitstel) naar een termijn van twintig maanden.

Indien een schenker binnen 180 dagen na het doen van een schenking komt te overlijden wordt hetgeen is geschonken fiscaal gezien als deel van de erfenis en belast met erfbelasting. Tot nu toe was het geschonkene tevens belast met schenkbelasting, waarbij de betaalde schenkbelasting in minder kwam op de te betalen erfbelasting. Hierbij bestond dus de plicht tot het doen van aangifte van zowel de schenking als de erfenis. Met ingang van 1 januari aanstaande wordt de schenkbelasting in deze situatie afgeschaft. De schenking wordt dus enkel nog gezien als erfenis en enkel belast met erfbelasting. Hiermee vervalt ook de plicht tot het doen van aangifte schenkbelasting. De reden van deze aanpassing is dat het in de praktijk voor een groot deel van de gevallen niet mogelijk is om binnen acht maanden na het overlijden aangifte te doen of een voorlopige aanslag aan te vragen. In verband met deze ruime verlenging van de aangifte termijn zal in beginsel nog slechts voor een (extra) vier maanden uitstel worden verleend.

Voor de schenk- en erfbelasting wordt in de Successiewet vanaf 2026 een biologisch kind gelijkgesteld aan een juridisch kind. Dit naar aanleiding van een recente uitspraak van de Hoge Raad waarbij (voor de erfbelasting) een biologisch kind werd gelijkgesteld aan een juridisch kind. Bij de wijziging in de Successiewet wordt uitsluitend biologisch ouderschap, aan te tonen met een genetische test, als voorwaarde gesteld. Het is dus niet nodig is dat tussen de ouder en het kind zogenaamd ‘family life’ bestaat. Op dit moment worden geen formele eisen gesteld aan het soort genetische test (DNA-test).

Doordat voor de heffing van de schenk- en erfbelasting een biologisch kind gelijk wordt gesteld met een kind dat wel in een familierechtelijke betrekking staat tot de schenker of erflater, gelden voor een biologisch kind dezelfde tarieven en vrijstellingen en gelden ook dezelfde fictiebepalingen (zoals artikel 10 SW). Voor gevallen voor 2026 kan de hardheidsclausule worden toegepast.

Belangrijk is wel dat het hier enkel gaat om een fiscale gelijkstelling: een biologisch kind moet dus een schenking krijgen van- of opgenomen worden in het testament van de biologische ouder.

Daarnaast bevat het Belastingplan 2026 een regeling om de ongelijke breukdelengemeenschap aan te pakken. Bij een dergelijke gemeenschap komen de partners overeen dat zij niet ieder voor de helft gerechtigd zullen zijn tot de (huwelijks)goederengemeenschap, maar in verschillende delen. Door het aangaan van een dergelijke gemeenschap (tijdens het huwelijk of partnerschap) kan gezorgd worden dat bij het einde van het huwelijk of partnerschap de ene partner een groter aandeel toekomt. Hierdoor verschuift feitelijk een deel van het bezit van de ene partner naar de ander. Omdat pas bij het einde van het huwelijk of het partnerschap definitief blijkt of deze verschuiving voordeel oplevert blijft deze verandering in de meeste gevallen onbelast.

Om deze ontwijking van belasting tegen te gaan wordt de nieuwe regel dat hetgeen aan een partner bij ontbinding van de (huwelijks)goederengemeenschap meer toekomt dan de helft wordt belast met erf- of schenkbelasting. Een voorbeeld: M en V zijn voor respectievelijk 95% en 5% gerechtigd tot de (huwelijks)goederengemeenschap. M wordt dan bij ontbinding van deze gemeenschap fictief belast voor 45% van de waarde van de gemeenschap.

Onder de nieuwe regels wordt de ongelijke breukdelengemeenschappen in alle gevallen belast, dus ook wanneer er geen sprake is van een fiscale constructie. Gedacht kan dan bijvoorbeeld worden aan compensatie van ongelijk ingebracht vermogen, bescherming van familievermogen of het ontgaan van de legitieme portie van één van beide partners.

Partners die vóór of tijdens het huwelijk ongelijke vermogens hebben, blijven immers als alternatief houden om in huwelijkse voorwaarden privévermogen buiten een huwelijksgemeenschap of verrekenbeding te houden. Zij kunnen daarbij een bepaalde door hen gewenste verhouding in vermogens behouden zonder dat zij met betrekking tot de huwelijksgemeenschap of het verrekenbeding ongelijke breukdelen of ongelijke verrekening hoeven overeen te komen. Het ligt bovendien ook meer voor de hand om bepaald vermogen buiten de (huwelijk)goederengemeenschap te houden en voor het overige een (huwelijks)goederengemeenschap met gelijke breukdelen aan te gaan.

Heb je vragen over het voorgaande, of zijn er andere vragen op notarieel gebied? Neem dan contact op met onze notarieel specialisten.

Let op! U verlaat de site van Yvon. X Doorgaan